monitor
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈmoniˌtɔr/Betekenis
- een scherm waarop de informatie uit een computer zichtbaar wordt gemaakt
- iemand die buiten de schooluren leiding geeft aan en toezicht houdt op kinderen of jongeren
- studiementor
- onderzoekende rapportage b.v. een armoedemonitor
- monitoren, toezien
- een klasse van verhoudingsgewijs kleine oorlogsschepen
- een speciaal type luidsprekerbox dat in geluidsstudio's gebruikt wordt om te beluisteren wat er opgenomen of gemengd wordt
- telewizor, telewizorek, ekran
- odsłuch
- obrazovka , displej
Hoe spreek je monitor uit?
/ˈmoniˌtɔr/
Monitor bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| o | boot |
| n | nek |
| i | riet |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| monitoren | meervoud |
| monitors | meervoud |
| monitortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| monitortjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van monitoren
- gebiedende wijs van monitoren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van monitoren
Vervoeging van monitor
monitorhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘beeldscherm’ voor het eerst aangetroffen in 1961
Woordfamilie van monitor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| monitors | meervoud | monitor |
| monitortje | verkleinwoord | monitor |
| monitortjes | verkleinwoord meervoud | monitor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van monitor zijn vastgelegd.