junior
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ˈjyniˌjɔrBetekenis
- iemand in een jongere leeftijdsklasse
- een vaak achtergeplaatste aanduiding die een zoon aanduidt die de gelijke naam heeft als de vader
Hoe spreek je junior uit?
/ˈjyniˌjɔr/
Junior bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| y | fuut |
| n | nek |
| i | riet |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| junioren | meervoud |
| juniores | meervoud |
| juniors | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘de jongere (achter namen)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1795
Woordfamilie van junior
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| junioren | meervoud | junior |
| juniores | meervoud | junior |
| juniors | meervoud | junior |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van junior zijn vastgelegd.