snorren
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een snorrend geluid produceren
- zich snorrend voortbewegen
- zich op een snorfiets voortbewegen
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Vervoeging van snorren
snorrenhele werkwoord — snordeverleden tijd enkelvoud — snordenverleden tijd meervoud — gesnordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | snor | snorde |
| jij | snort | snorde |
| hij, zij, het | snort | snorde |
| wij | snorren | snorden |
| jullie | snorren | snorden |
| zij | snorren | snorden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gesnord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesnord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesnord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesnord | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesnord | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesnord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesnord worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesnord zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesnord worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesnord zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesnord | verleden tijd, deelwoord |
| gesnord te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesnord te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesnord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesnord te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesnord te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesnord worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesnord zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesnord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesnord zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesnord zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesnord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesnord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesnord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesnord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesnord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesnord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesnord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesnord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesnord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesnord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesnord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gesnord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesnord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| snor | gebiedende wijs |
| snorde | verleden tijd |
| snorre | aanvoegende wijs |
| snorrend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesnord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te snorren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen snorren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gesnord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesnord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gesnord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesnord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesnord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gesnord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gesnord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesnord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gesnord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gesnord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gesnord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gesnord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gesnord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gesnord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gesnord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gesnord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gesnord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gesnord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesnord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gesnord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gesnord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesnord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesnord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gesnord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesnord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesnord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesnord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal snorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal snorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal snorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesnord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesnord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesnord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesnord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesnord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesnord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesnord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gesnord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesnord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesnord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesnord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesnord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesnord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou snorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou snorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou snorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesnord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesnord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesnord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesnord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gesnord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gesnord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesnord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesnord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesnord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden snorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden snorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden snorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesnord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesnord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesnord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt snorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesnord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesnord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesnord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesnord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gesnord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gesnord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesnord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesnord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesnord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen snorren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen snorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen snorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen snorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesnord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesnord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesnord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult snorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord snor
Herkomst
In de betekenis van ‘los werk zoeken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1974
Woordfamilie van snorren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesnord | voltooid deelwoord | snorren |
| gesnorde | woordvorm | snorren |
| snorde | verleden tijd | snorren |
| snorden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | snorren |
| snorre | aanvoegende wijs | snorren |
| snorrend | onvoltooid deelwoord | snorren |
| snorrende | woordvorm | snorren |
| snort | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | snorren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snorren zijn vastgelegd.