tor
zelfstandig naamwoord tɔrBetekenis
- een insect waarvan de vleugels gewoonlijk schuilgaan onder stevige dekbladen (Coleoptera)
- thorium
Hoe spreek je tor uit?
/tɔr/
Tor bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor insecten uit de orde Coleoptera waarvan de vleugels gewoonlijk schuilgaan onder stevige dekbladen
- een geslacht Tor van straalvinnige vissen uit de familie van karpers (Cyprinidae)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| torren | meervoud |
| torretje | verkleinwoord, enkelvoud |
| torretjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands torre; in de betekenis van ‘insect’ voor het eerst aangetroffen in 1437, cognaat met Fries tuorre / toarre, misschien een klanknabootsing van het zoemende geluid tijdens het vliegen
Woordfamilie van tor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| torren | meervoud | tor |
| torretje | verkleinwoord | tor |
| torretjes | verkleinwoord meervoud | tor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tor zijn vastgelegd.