schroot
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- dunne plint gezaagd hout
- metaalafval in stukjes en snippers
- snippers van enige stof
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schrootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schrootjes | verkleinwoord, meervoud |
| schroten | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van schroten
- gebiedende wijs van schroten
Vervoeging van schroot
schroothele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘reep gezaagd hout’ voor het eerst aangetroffen in 1827
Woordfamilie van schroot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schrootje | verkleinwoord | schroot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schroot zijn vastgelegd.