schijten
werkwoord ˈsxɛitə(n)Betekenis
- poepen
Hoe spreek je schijten uit?
/ˈsxɛitən/
Schijten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɛi | trein |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- zich ontlasten, poepen informal, unergative
Vervoeging van schijten
schijtenhele werkwoord — scheetverleden tijd enkelvoud — schetenverleden tijd meervoud — geschetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schijt | scheet |
| jij | schijt | scheet |
| hij, zij, het | schijt | scheet |
| wij | schijten | scheten |
| jullie | schijten | scheten |
| zij | schijten | scheten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gescheten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gescheten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gescheten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gescheten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gescheten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gescheten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gescheten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gescheten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gescheten | verleden tijd, deelwoord |
| gescheten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gescheten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gescheten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gescheten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gescheten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gescheten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gescheten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gescheten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gescheten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gescheten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gescheten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gescheten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gescheten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gescheten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gescheten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gescheten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gescheten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| scheet | verleden tijd |
| schijt | gebiedende wijs |
| schijte | aanvoegende wijs |
| schijtend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gescheten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schijten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gescheten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gescheten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gescheten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gescheten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gescheten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gescheten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gescheten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gescheten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gescheten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gescheten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gescheten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gescheten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gescheten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gescheten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘poepen’ voor het eerst aangetroffen in 1360
Woordfamilie van schijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gescheten | voltooid deelwoord | schijten |
| schijte | aanvoegende wijs | schijten |
| schijtend | onvoltooid deelwoord | schijten |
| schijtende | woordvorm | schijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schijten zijn vastgelegd.