ontbijten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ɔndˈbɛitə(n)Betekenis
- de eerste maaltijd van de dag nuttigen
Hoe spreek je ontbijten uit?
/ɔndˈbɛitən/
Ontbijten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| b | bak |
| ɛi | trein |
| t | tak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontbijten
ontbijtenhele werkwoord — ontbeetverleden tijd enkelvoud — ontbetenverleden tijd meervoud — ontbetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontbijt | ontbeet |
| jij | ontbijt | ontbeet |
| hij, zij, het | ontbijt | ontbeet |
| wij | ontbijten | ontbeten |
| jullie | ontbijten | ontbeten |
| zij | ontbijten | ontbeten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontbeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontbeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontbeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontbeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontbeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontbeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontbeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontbeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontbeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontbeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontbeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontbeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontbeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontbeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontbeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontbeet | verleden tijd |
| ontbeten | verleden tijd, deelwoord |
| ontbeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontbeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontbijt | gebiedende wijs |
| ontbijte | aanvoegende wijs |
| ontbijtend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontbeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontbijten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontbijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontbeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontbeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontbeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontbijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontbijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontbijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontbeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontbeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontbeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontbijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontbijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontbijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontbeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontbeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontbeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontbijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontbijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontbijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontbeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontbijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontbeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontbeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontbeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontbijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontbijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontbijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontbijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontbeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontbijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ontbijt
Herkomst
In de betekenis van ‘ochtendmaal eten’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van ontbijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontbeet | verleden tijd | ontbijten |
| ontbeten | voltooid deelwoord | ontbijten |
| ontbijte | aanvoegende wijs | ontbijten |
| ontbijtend | onvoltooid deelwoord | ontbijten |
| ontbijtende | woordvorm | ontbijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontbijten zijn vastgelegd.