pleiten
werkwoord ˈplɛitə(n)Betekenis
- argumenten aandragen in de hoop een bepaalde beslissing te bewerkstelligen
- argumenten aandragen voor een rechtbank
Hoe spreek je pleiten uit?
/ˈplɛitən/
Pleiten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| ɛi | trein |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van pleiten
pleitenhele werkwoord — pleitteverleden tijd enkelvoud — pleittenverleden tijd meervoud — gepleitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pleit | pleitte |
| jij | pleit | pleitte |
| hij, zij, het | pleit | pleitte |
| wij | pleiten | pleitten |
| jullie | pleiten | pleitten |
| zij | pleiten | pleitten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gepleit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepleit | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepleit | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepleit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepleit worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepleit zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepleit worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepleit zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepleit | verleden tijd, deelwoord |
| gepleit te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepleit zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepleit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepleit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepleit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepleit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepleit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepleit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepleit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepleit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pleit | gebiedende wijs |
| pleite | aanvoegende wijs |
| pleitend | onvoltooid, deelwoord |
| pleitte | verleden tijd |
| te hebben gepleit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te pleiten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen pleiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal pleiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal pleiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal pleiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou pleiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou pleiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou pleiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden pleiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden pleiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden pleiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt pleiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen pleiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen pleiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen pleiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen pleiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult pleiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
via Middelnederlands pleiten ontleend aan Oudfrans plaider
Woordfamilie van pleiten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepleit | voltooid deelwoord | pleiten |
| gepleite | woordvorm | pleiten |
| pleit | gebiedende wijs | pleiten |
| pleitend | onvoltooid deelwoord | pleiten |
| pleitende | woordvorm | pleiten |
| pleitte | verleden tijd | pleiten |
| pleitten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | pleiten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pleiten zijn vastgelegd.