Naar de inhoud

verbijten

zijn gevoelens van ergernis of pijn onder controle houden

verbijten

werkwoord vərˈbɛitə(n)

Betekenis

  1. zijn gevoelens van ergernis of pijn onder controle houden

Hoe spreek je verbijten uit?

/vərˈbɛitən/

Verbijten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /vərˈbɛitən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ə de
r rood
b bak
ɛi trein
t tak
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van verbijten

verbijtenhele werkwoord — verbeetverleden tijd enkelvoud — verbetenverleden tijd meervoud — verbetenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verbijt verbeet
jij verbijt verbeet
hij, zij, het verbijt verbeet
wij verbijten verbeten
jullie verbijten verbeten
zij verbijten verbeten
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben verbeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verbeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verbeten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verbeten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verbeten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verbeten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verbeten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verbeten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verbeten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verbeten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verbeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verbeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verbeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verbeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verbeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verbeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verbeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verbeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verbeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verbeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verbeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verbeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verbeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verbeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verbeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verbeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verbeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verbeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verbijten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verbijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verbeet verleden tijd
verbeet je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verbeet me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
verbeet u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
verbeet u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verbeet zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
verbeet zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
verbeet zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verbeten verleden tijd, deelwoord
verbeten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verbeten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
verbeten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verbeten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verbeten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verbeten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verbeten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verbeten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verbeten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
verbeten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verbeten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verbeten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verbeten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verbijt gebiedende wijs
verbijt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verbijt me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verbijt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verbijt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verbijt u/je , verbijt je gebiedende wijs
verbijt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verbijt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verbijt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verbijte aanvoegende wijs
verbijte zich aanvoegende wijs
verbijten je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verbijten ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verbijten zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verbijtend onvoltooid, deelwoord
waart verbeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verbeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verbeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verbeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verbeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verbeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verbeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verbeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verbeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verbeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verbeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verbeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verbeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verbeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verbeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verbeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verbeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verbeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verbeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verbeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me verbijten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal verbeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verbeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verbeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verbeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verbeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verbeten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verbeten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verbijten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verbijten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verbijten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich verbijten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je verbijten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich verbeten hebben verleden tijd
zich verbijtend onvoltooid, deelwoord
zijn verbeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verbeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verbeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verbeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verbeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verbeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verbeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verbeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verbeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verbeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verbeten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verbeten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verbeten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verbijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verbijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verbijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden verbeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verbeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verbeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verbeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verbeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verbeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verbeten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verbeten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verbeten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verbijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verbijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verbijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt verbeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verbeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verbeten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verbijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen je verbijten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons verbijten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen verbeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verbeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van bijten met het voorvoegsel ver-

Woordfamilie van verbijten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
verbeet verleden tijd verbijten
verbijt gebiedende wijs verbijten
verbijte aanvoegende wijs verbijten
verbijtend onvoltooid deelwoord verbijten
verbijtende woordvorm verbijten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verbijten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over verbijten

Hoe spreek je verbijten uit?
De uitspraak van verbijten is: /vərˈbɛitə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent verbijten?
Verbijten is een werkwoord. Het woord betekent: zijn gevoelens van ergernis of pijn onder controle houden.
Hoe vervoeg je verbijten?
Je vervoegt verbijten als volgt: de tegenwoordige tijd is verbijt, de verleden tijd is verbeet en het voltooid deelwoord is verbeten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op verbijten?

Er staan 25 woorden in dit woordenboek die op verbijten rijmen, waaronder bijten, ontbijten en geiten. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op verbijten, uitspraak vərˈbɛitən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
bijten 2
ontbijten 3
geiten 2
verslijten 3
schijten 2
pleiten 2
accucapaciteiten 7
algentapijten 5
bouwactiviteiten 6
consanguiniteiten 6
cyberactiviteiten 7
douaneformaliteiten 8
kerstontbijten 4
leiderscapaciteiten 7
loyauteiten 4
luchtvaartautoriteiten 7
milieuautoriteiten 7
mulderfeiten 4
mutualiteiten 6
onderschijten 4
sportactiviteiten 6
taalvariëteiten 6
treiten 2
verschijten 3
verwerkingscapaciteiten 8

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verbijten is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. B 3
  5. I 1
  6. J 4
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verbijten levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. B 4
  5. I 2
  6. J 4
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 zonder bonus
  11. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verbijten in het kort

verbijten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van verbijten zijn 101 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort verbijten bij een woordfamilie van 5 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

verbijten: zijn gevoelens van ergernis of pijn onder controle houden
Deel verbijten — standaardnederlands.nl