schijtebroek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een lafaard, iemand die niets durft, iemand die in de broek schijt van angst
- lafaard, angsthaas, schijterd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schijtebroeken | meervoud |
| schijtebroekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schijtebroekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van schijt en broek met het invoegsel -e-
Woordfamilie van schijtebroek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schijtebroeken | meervoud | schijtebroek |
| schijtebroekje | verkleinwoord | schijtebroek |
| schijtebroekjes | verkleinwoord meervoud | schijtebroek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schijtebroek zijn vastgelegd.