rouwen
werkwoord ˈrɑuwə(n)Betekenis
- de emotionele nasleep van het overlijden van een geliefd persoon
Hoe spreek je rouwen uit?
/ˈrɑuwən/
Rouwen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɑu | koud |
| w | quiz |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van rouwen
rouwenhele werkwoord — rouwdeverleden tijd enkelvoud — rouwdenverleden tijd meervoud — gerouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rouw | rouwde |
| jij | rouwt | rouwde |
| hij, zij, het | rouwt | rouwde |
| wij | rouwen | rouwden |
| jullie | rouwen | rouwden |
| zij | rouwen | rouwden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gerouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerouwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerouwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerouwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerouwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerouwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerouwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerouwd | verleden tijd, deelwoord |
| gerouwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerouwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rouw | gebiedende wijs |
| rouwde | verleden tijd |
| rouwe | aanvoegende wijs |
| rouwend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordfamilie van rouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerouwd | voltooid deelwoord | rouwen |
| rouwde | verleden tijd | rouwen |
| rouwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rouwen |
| rouwend | onvoltooid deelwoord | rouwen |
| rouwende | woordvorm | rouwen |
| rouwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rouwen zijn vastgelegd.