miauwen
werkwoord miˈjɑuwə(n)Betekenis
- het kenmerkende jankende geluid van een kat voortbrengen
- klagen of zeuren
Hoe spreek je miauwen uit?
/miˈjɑuwən/
Miauwen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| i | riet |
| j | ja |
| ɑu | koud |
| w | quiz |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van miauwen
miauwenhele werkwoord — miauwdeverleden tijd enkelvoud — miauwdenverleden tijd meervoud — gemiauwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | miauw | miauwde |
| jij | miauwt | miauwde |
| hij, zij, het | miauwt | miauwde |
| wij | miauwen | miauwden |
| jullie | miauwen | miauwden |
| zij | miauwen | miauwden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemiauwd | verleden tijd, deelwoord |
| gemiauwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemiauwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemiauwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemiauwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemiauwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemiauwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemiauwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemiauwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemiauwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemiauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemiauwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemiauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemiauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemiauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemiauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemiauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemiauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| miauw | gebiedende wijs |
| miauwde | verleden tijd |
| miauwe | aanvoegende wijs |
| miauwend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemiauwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te miauwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen miauwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemiauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemiauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemiauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal miauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal miauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal miauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemiauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemiauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemiauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou miauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou miauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou miauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemiauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemiauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemiauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden miauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden miauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden miauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemiauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt miauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemiauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemiauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemiauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen miauwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen miauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen miauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen miauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemiauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult miauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘het natuurlijke geluid van katten maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1669
Woordfamilie van miauwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemiauwd | voltooid deelwoord | miauwen |
| miauwde | verleden tijd | miauwen |
| miauwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | miauwen |
| miauwe | aanvoegende wijs | miauwen |
| miauwend | onvoltooid deelwoord | miauwen |
| miauwende | woordvorm | miauwen |
| miauwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | miauwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van miauwen zijn vastgelegd.