Naar de inhoud

beschouwen

bekijken als, beoordelen, vinden

beschouwen

werkwoord bəˈsxɑuwə(n)

Betekenis

  1. bekijken als, beoordelen, vinden
  2. denken over
  3. (arch.) aandachtig kijken naar

Hoe spreek je beschouwen uit?

/bəˈsxɑuwən/

Beschouwen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /bəˈsxɑuwən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ə de
s sok
x acht
ɑu koud
w quiz
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. aandachtig kijken naar transitive

Vervoeging van beschouwen

beschouwenhele werkwoord — beschouwdeverleden tijd enkelvoud — beschouwdenverleden tijd meervoud — beschouwdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik beschouw beschouwde
jij beschouwt beschouwde
hij, zij, het beschouwt beschouwde
wij beschouwen beschouwden
jullie beschouwen beschouwden
zij beschouwen beschouwden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben beschouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent beschouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
beschouw gebiedende wijs
beschouw me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
beschouw u/je , beschouwt je gebiedende wijs
beschouwd verleden tijd, deelwoord
beschouwd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
beschouwd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
beschouwd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
beschouwd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
beschouwd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
beschouwd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
beschouwd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
beschouwd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
beschouwd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
beschouwd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
beschouwde verleden tijd
beschouwde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
beschouwde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
beschouwde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
beschouwde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
beschouwde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
beschouwde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
beschouwde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
beschouwden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
beschouwden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
beschouwden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
beschouwe aanvoegende wijs
beschouwe zich aanvoegende wijs
beschouwen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beschouwen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beschouwen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beschouwend onvoltooid, deelwoord
beschouwt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
beschouwt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
beschouwt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beschouwt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
beschouwt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
beschouwt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
er is beschouwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was beschouwd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd beschouwd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt beschouwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal beschouwd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal beschouwd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou beschouwd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou beschouwd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had beschouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had beschouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had beschouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden beschouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden beschouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden beschouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt beschouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb beschouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben beschouwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben beschouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben beschouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben beschouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt beschouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft beschouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft beschouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is beschouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is beschouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te beschouwen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben beschouwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen beschouwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart beschouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren beschouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren beschouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren beschouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was beschouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was beschouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was beschouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd beschouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd beschouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd beschouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden beschouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden beschouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden beschouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt beschouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word beschouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden beschouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden beschouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden beschouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt beschouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt beschouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal beschouwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beschouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal beschouwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal beschouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beschouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal beschouwd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beschouwd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal beschouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal beschouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal beschouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal me beschouwen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich beschouwen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je beschouwen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich beschouwd hebben verleden tijd
zich beschouwend onvoltooid, deelwoord
zijn beschouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn beschouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn beschouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt beschouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou beschouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beschouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beschouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou beschouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beschouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou beschouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beschouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beschouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beschouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou beschouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou beschouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou beschouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden beschouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden beschouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden beschouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beschouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beschouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beschouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beschouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden beschouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden beschouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beschouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beschouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beschouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt beschouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beschouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beschouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beschouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen beschouwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen beschouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen beschouwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen beschouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘overwegen, houden voor’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Woordfamilie van beschouwen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
beschouw gebiedende wijs beschouwen
beschouwd voltooid deelwoord beschouwen
beschouwde verleden tijd beschouwen
beschouwden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon beschouwen
beschouwe aanvoegende wijs beschouwen
beschouwt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon beschouwen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beschouwen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over beschouwen

Hoe spreek ik beschouwen uit?
Zo spreek je beschouwen uit: /bəˈsxɑuwə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van beschouwen?
Beschouwen is een werkwoord. De betekenis is: bekijken als, beoordelen, vinden. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik beschouwen?
Zo vervoeg je beschouwen zo: de tegenwoordige tijd is beschouw, de verleden tijd is beschouwde en het voltooid deelwoord is beschouwd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op beschouwen?

Beschouwen rijmt op 25 woorden op -ouwen; litouwen, aanschouwen en vertrouwen bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op beschouwen, uitspraak bəˈsxɑuwən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
litouwen 3
aanschouwen 3
vertrouwen 3
miauwen 3
rouwen 2
touwen 2
klauwen 2
verbouwen 3
knauwen 2
berouwen 3
herkauwen 3
mauwen 2
jouen 2
consumentenvertrouwen 7
versjouwen 3
gebouwen 3
ineengevouwen 5
kerkgebouwen 5
lesgebouwen 4
noodgebouwen 4
overbouwen 4
pyjamamouwen 5
vrouwen 2
watjekouwen 4
wetenschapsvrouwen 5

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord beschouwen is 27 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. O 1
  7. U 4
  8. W 5
  9. E 1
  10. N 1
  11. 27 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

beschouwen levert met Wordfeud minimaal 26 en maximaal 108 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. O 1
  7. U 2
  8. W 5
  9. E 1
  10. N 1
  11. 26 zonder bonus
  12. 108 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

beschouwen in het kort

beschouwen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van beschouwen staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort beschouwen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

beschouwen: bekijken als, beoordelen, vinden
Deel beschouwen — standaardnederlands.nl