beschouwen
werkwoord bəˈsxɑuwə(n)Betekenis
- bekijken als, beoordelen, vinden
- denken over
- (arch.) aandachtig kijken naar
Hoe spreek je beschouwen uit?
/bəˈsxɑuwən/
Beschouwen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| s | sok |
| x | acht |
| ɑu | koud |
| w | quiz |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- aandachtig kijken naar transitive
Vervoeging van beschouwen
beschouwenhele werkwoord — beschouwdeverleden tijd enkelvoud — beschouwdenverleden tijd meervoud — beschouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beschouw | beschouwde |
| jij | beschouwt | beschouwde |
| hij, zij, het | beschouwt | beschouwde |
| wij | beschouwen | beschouwden |
| jullie | beschouwen | beschouwden |
| zij | beschouwen | beschouwden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben beschouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beschouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beschouw | gebiedende wijs |
| beschouw me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beschouw u/je , beschouwt je | gebiedende wijs |
| beschouwd | verleden tijd, deelwoord |
| beschouwd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beschouwd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beschouwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beschouwd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beschouwd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beschouwd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beschouwd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beschouwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beschouwd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beschouwd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beschouwde | verleden tijd |
| beschouwde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beschouwde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beschouwde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| beschouwde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beschouwde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beschouwde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| beschouwde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beschouwden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beschouwden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| beschouwden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| beschouwe | aanvoegende wijs |
| beschouwe zich | aanvoegende wijs |
| beschouwen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beschouwen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beschouwen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beschouwend | onvoltooid, deelwoord |
| beschouwt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beschouwt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beschouwt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beschouwt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beschouwt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beschouwt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| er is beschouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beschouwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beschouwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beschouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beschouwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beschouwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beschouwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beschouwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beschouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beschouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beschouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beschouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beschouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beschouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beschouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beschouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beschouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beschouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beschouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beschouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beschouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beschouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beschouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beschouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beschouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beschouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beschouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beschouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beschouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beschouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beschouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beschouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beschouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beschouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beschouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beschouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beschouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beschouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beschouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beschouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beschouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beschouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beschouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beschouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beschouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beschouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beschouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beschouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beschouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beschouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beschouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beschouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beschouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beschouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beschouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beschouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beschouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beschouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me beschouwen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich beschouwen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je beschouwen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich beschouwd hebben | verleden tijd |
| zich beschouwend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn beschouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beschouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beschouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beschouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beschouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beschouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beschouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beschouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beschouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beschouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beschouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beschouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beschouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beschouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beschouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beschouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beschouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beschouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beschouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beschouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beschouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beschouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beschouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beschouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beschouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beschouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beschouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beschouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beschouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beschouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beschouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beschouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beschouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beschouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beschouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beschouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘overwegen, houden voor’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van beschouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beschouw | gebiedende wijs | beschouwen |
| beschouwd | voltooid deelwoord | beschouwen |
| beschouwde | verleden tijd | beschouwen |
| beschouwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beschouwen |
| beschouwe | aanvoegende wijs | beschouwen |
| beschouwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beschouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beschouwen zijn vastgelegd.