mauwen
werkwoord ˈmɑuwə(n)Betekenis
- het kenmerkende jankende geluid van een kat voortbrengen
Hoe spreek je mauwen uit?
/ˈmɑuwən/
Mauwen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑu | koud |
| w | quiz |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van mauwen
mauwenhele werkwoord — mauwdeverleden tijd enkelvoud — mauwdenverleden tijd meervoud — gemauwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mauw | mauwde |
| jij | mauwt | mauwde |
| hij, zij, het | mauwt | mauwde |
| wij | mauwen | mauwden |
| jullie | mauwen | mauwden |
| zij | mauwen | mauwden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemauwd | verleden tijd, deelwoord |
| gemauwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemauwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemauwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemauwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemauwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemauwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemauwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemauwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemauwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemauwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mauw | gebiedende wijs |
| mauwde | verleden tijd |
| mauwe | aanvoegende wijs |
| mauwend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemauwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mauwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mauwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mauwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘het natuurlijke geluid van katten maken’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Woordfamilie van mauwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemauwd | voltooid deelwoord | mauwen |
| mauw | gebiedende wijs | mauwen |
| mauwde | verleden tijd | mauwen |
| mauwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mauwen |
| mauwe | aanvoegende wijs | mauwen |
| mauwend | onvoltooid deelwoord | mauwen |
| mauwende | woordvorm | mauwen |
| mauwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mauwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mauwen zijn vastgelegd.