berouwen
werkwoord /bəˈrɑuwə(n)/Betekenis
- zich ~ over; met persoon als onderwerp: spijt hebben van iets
- met persoon als meewerkend voorwerp: spijten
Hoe spreek je berouwen uit?
/bəˈrɑuwən/
Berouwen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| r | rood |
| ɑu | koud |
| w | quiz |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van berouwen
berouwenhele werkwoord — berouwdeverleden tijd enkelvoud — berouwdenverleden tijd meervoud — berouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | berouw | berouwde |
| jij | berouwt | berouwde |
| hij, zij, het | berouwt | berouwde |
| wij | berouwen | berouwden |
| jullie | berouwen | berouwden |
| zij | berouwen | berouwden |
Alle 92 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| berouw | gebiedende wijs |
| berouw me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| berouw u/je , berouwt je | gebiedende wijs |
| berouwd | verleden tijd, deelwoord |
| berouwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| berouwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| berouwde | verleden tijd |
| berouwde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| berouwde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| berouwde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| berouwde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| berouwde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| berouwde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| berouwde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| berouwden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| berouwden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| berouwden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| berouwe | aanvoegende wijs |
| berouwe zich | aanvoegende wijs |
| berouwen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| berouwen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| berouwen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| berouwend | onvoltooid, deelwoord |
| berouwt | tegenwoordige tijd |
| berouwt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| berouwt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| berouwt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| berouwt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| berouwt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| berouwt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ev. | gebiedende wijs |
| had berouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had berouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had berouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden berouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden berouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden berouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt berouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb berouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben berouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben berouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben berouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben berouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt berouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft berouwd | verleden tijd, deelwoord |
| heeft berouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft berouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te berouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben berouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen berouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal berouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal berouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal berouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal berouwen | toekomende tijd |
| zal berouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal berouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal berouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me berouwen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich berouwen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je berouwen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich berouwd hebben | verleden tijd |
| zich berouwend | onvoltooid, deelwoord |
| zou berouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou berouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou berouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou berouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou berouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou berouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden berouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden berouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden berouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden berouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden berouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden berouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt berouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt berouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen berouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen berouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen berouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen berouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen berouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen berouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen berouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen je berouwen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons berouwen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich berouwen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult berouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult berouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u berouwen | tweede persoon |
| zult u berouwen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u berouwen | tweede persoon |
| zult zich/u berouwen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands berouwen / berowen van Oudnederlands beruuuan / biriuwon, in de betekenis van ‘spijt doen hebben’ voor het eerst aangetroffen in 901; op te vatten als afgeleid van rouwen ww met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van berouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| berouwd | voltooid deelwoord | berouwen |
| berouwde | verleden tijd | berouwen |
| berouwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | berouwen |
| berouwe | aanvoegende wijs | berouwen |
| berouwend | onvoltooid deelwoord | berouwen |
| berouwende | woordvorm | berouwen |
| berouwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | berouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van berouwen zijn vastgelegd.