proesten
werkwoordBetekenis
- niet erg succesvol trachten een lach te onderdrukken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van proesten
proestenhele werkwoord — proestteverleden tijd enkelvoud — proesttenverleden tijd meervoud — geproestvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | proest | proestte |
| jij | proest | proestte |
| hij, zij, het | proest | proestte |
| wij | proesten | proestten |
| jullie | proesten | proestten |
| zij | proesten | proestten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geproest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geproest | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geproest | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geproest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geproest worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geproest zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geproest worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geproest zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geproest | verleden tijd, deelwoord |
| geproest te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geproest zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geproest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geproest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geproest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geproest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geproest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geproest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geproest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geproest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geproest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geproest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geproest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geproest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geproest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geproest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geproest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| proest | gebiedende wijs |
| proeste | aanvoegende wijs |
| proestend | onvoltooid, deelwoord |
| proestte | verleden tijd |
| te hebben geproest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te proesten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen proesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geproest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geproest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geproest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal proesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal proesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal proesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geproest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geproest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geproest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou proesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou proesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou proesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geproest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geproest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geproest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden proesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden proesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden proesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geproest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt proesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geproest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geproest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geproest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen proesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen proesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen proesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen proesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geproest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult proesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘lachen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1808
Woordfamilie van proesten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geproest | voltooid deelwoord | proesten |
| proest | gebiedende wijs | proesten |
| proeste | aanvoegende wijs | proesten |
| proestend | onvoltooid deelwoord | proesten |
| proestende | woordvorm | proesten |
| proestte | verleden tijd | proesten |
| proestten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | proesten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van proesten zijn vastgelegd.