proef
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een onderzoek of test naar de juistheid, degelijkheid of waarheid.
- het verrichten van een handeling om een verschijnsel te achterhalen of zichtbaar te maken, proefneming, experiment
- een drukproef
- een monster, (steekproef)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| proefje | verkleinwoord, enkelvoud |
| proefjes | verkleinwoord, meervoud |
| proeven | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van proeven
- gebiedende wijs van proeven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van proeven
Vervoeging van proef
proefhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘onderzoek’ voor het eerst aangetroffen in 1286 , semantisch beïnvloed door Duits Probe voor de bijkomende betekenissen.
Woordfamilie van proef
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| proefje | verkleinwoord | proef |
| proefjes | verkleinwoord meervoud | proef |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van proef zijn vastgelegd.