Naar de inhoud

plankzeilen

een watersport waarbij men met een surfplank met daarop een zeil bevestigd gaat surfen op zee of zoet water

plankzeilen

werkwoord

Betekenis

  1. een watersport waarbij men met een surfplank met daarop een zeil bevestigd gaat surfen op zee of zoet water

Vervoeging van plankzeilen

plankzeilenhele werkwoord — plankzeildeverleden tijd enkelvoud — plankzeildenverleden tijd meervoud — geplankzeildvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik plankzeil plankzeilde
jij plankzeilt plankzeilde
hij, zij, het plankzeilt plankzeilde
wij plankzeilen plankzeilden
jullie plankzeilen plankzeilden
zij plankzeilen plankzeilden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is geplankzeild impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geplankzeild impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geplankzeild impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geplankzeild impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geplankzeild worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geplankzeild zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geplankzeild worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geplankzeild zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geplankzeild verleden tijd, deelwoord
geplankzeild te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geplankzeild zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geplankzeild voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geplankzeild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geplankzeild voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geplankzeild voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geplankzeild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geplankzeild voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geplankzeild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geplankzeild voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geplankzeild actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geplankzeild voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geplankzeild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geplankzeild voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geplankzeild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geplankzeild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geplankzeild voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
plankzeil gebiedende wijs
plankzeilde verleden tijd
plankzeile aanvoegende wijs
plankzeilend onvoltooid, deelwoord
te hebben geplankzeild actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te plankzeilen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen plankzeilen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geplankzeild hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geplankzeild hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geplankzeild hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal plankzeilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal plankzeilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal plankzeilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geplankzeild hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geplankzeild hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geplankzeild hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou plankzeilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou plankzeilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou plankzeilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geplankzeild hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geplankzeild hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geplankzeild hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden plankzeilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden plankzeilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden plankzeilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geplankzeild hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt plankzeilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geplankzeild hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geplankzeild hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geplankzeild hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen plankzeilen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen plankzeilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen plankzeilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen plankzeilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geplankzeild hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult plankzeilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van plank en zeilen

Woordfamilie van plankzeilen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geplankzeild voltooid deelwoord plankzeilen
plankzeil gebiedende wijs plankzeilen
plankzeilde verleden tijd plankzeilen
plankzeilden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon plankzeilen
plankzeilend onvoltooid deelwoord plankzeilen
plankzeilende woordvorm plankzeilen
plankzeilt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon plankzeilen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plankzeilen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over plankzeilen

Wat is de betekenis van plankzeilen?
Plankzeilen is een werkwoord. De betekenis is: een watersport waarbij men met een surfplank met daarop een zeil bevestigd gaat surfen op zee of zoet water.
Hoe vervoeg ik plankzeilen?
Zo vervoeg je plankzeilen zo: de tegenwoordige tijd is plankzeil, de verleden tijd is plankzeilde en het voltooid deelwoord is geplankzeild. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord plankzeilen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. L 3
  3. A 1
  4. N 1
  5. K 3
  6. Z 4
  7. E 1
  8. I 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

plankzeilen levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 105 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. L 3
  3. A 1
  4. N 1
  5. K 3
  6. Z 5
  7. E 1
  8. I 2
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 zonder bonus
  13. 105 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

plankzeilen in het kort

plankzeilen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van plankzeilen staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort plankzeilen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

plankzeilen: een watersport waarbij men met een surfplank met daarop een zeil bevestigd gaat surfen op zee of zoet water
Deel plankzeilen — standaardnederlands.nl