planken
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord ˈplɑŋkə(n)Betekenis
- van planken vervaardigd
Hoe spreek je planken uit?
/ˈplɑŋkən/
Planken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (alleen | onverbogen, stellende trap |
| attributief) | onverbogen, stellende trap |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord plank
Woordfamilie van planken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plankende | woordvorm | planken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van planken zijn vastgelegd.