spiegel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈspiɣəlBetekenis
- vlakke achtersteven van een schip
- wit stukje vacht op het achterste van een ree
- concentratie van bepaalde stoffen in het bloed
- spiegelglad oppervlak (bijv. - zeespiegel)
- een overzicht bijv. beroepenspiegel, medaillespiegel etc.
Hoe spreek je spiegel uit?
/ˈspixəl/
Spiegel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| i | riet |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- voorwerp dat licht (en andere soorten elektromagnetische straling) weerkaatst volgens de regel: "hoek van inval = hoek van terugkaatsing"
- spiegelglad oppervlak (bijv. -> zeespiegel)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spiegels | meervoud |
| spiegeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spiegeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spiegelen
- gebiedende wijs van spiegelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spiegelen
Vervoeging van spiegel
spiegelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘beelden terugkaatsend voorwerp’ voor het eerst aangetroffen in 1240.
Woordfamilie van spiegel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spiegels | meervoud | spiegel |
| spiegeltje | verkleinwoord | spiegel |
| spiegeltjes | verkleinwoord meervoud | spiegel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spiegel zijn vastgelegd.