omroep
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een organisatie die zich richt op het verzorgen van radio- of televisieprogramma's
- het, doorgaans via een geluidsinstallatie, geven van gesproken mededelingen, berichten en oproepen, vanuit een centraal punt naar een algemeen publiek, omstanders, passagiers etc.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| omroepen | meervoud |
| omroepje | verkleinwoord, enkelvoud |
| omroepjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omroepen
Vervoeging van omroep
omroephele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘het radio- en later televisiebedrijf als geheel’ voor het eerst aangetroffen in 1922
Woordfamilie van omroep
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omroepje | verkleinwoord | omroep |
| omroepjes | verkleinwoord meervoud | omroep |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omroep zijn vastgelegd.