post
zelfstandig naamwoord, werkwoord, voorzetsel pɔstBetekenis
- toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
- de posterijen en hun werknemers
- een boekhoudkundige term voor een geboekt (aantal) bedrag(en), uren of andere administratieve eenheden
- de stijl / het kader van een deur of raam
- een station
- een bericht op een internetforum
- betrekking
- paal
- achter
- na
- daarna, later
- achteraan
- vasten
- hoge positie
- positie; plaats en functie van een speler in het veld
- (dialect) vasten
- arbeidsplaats, baan; beroep, werk
- křeslo
- půst
- een geüniformeerde man die op wacht staat
Hoe spreek je post uit?
/pɔst/
Post bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɔ | bot |
| s | sok |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een plek waar iemand gestationeerd is
- betrekking [2], dienstverband
- een (meestal kort) tekstbericht op een internetforum
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| posten | enkelvoud |
| postje | verkleinwoord |
| postjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| posts | enkelvoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van posten
- gebiedende wijs van posten
Vervoeging van post
posthele werkwoord
voorzetsel
- op een later tijdstip of in een latere periode dan
Herkomst
uiteenlopend
Woordfamilie van post
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| postje | verkleinwoord | post |
| postjes | verkleinwoord | post |
| posts | enkelvoud | post |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van post zijn vastgelegd.