radio
zelfstandig naamwoord /ˈradijo/Betekenis
- toestel dat uitgezonden radiogolven kan ontvangen en omzetten in geluid
- (geen verbuiging) medium om informatie en amusement uit te zenden
- radioprogramma
- draadloze telegrafie of telefonie
- (toestel)
- (medium)
- (geen verbuiging) (medium)
- spaakbeen
- radium
- straal
Hoe spreek je radio uit?
/ˈradijo/
Radio bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| a | maan |
| d | dak |
| i | riet |
| j | ja |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- medium om informatie en amusement uit te zenden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| radio's | meervoud |
| radiootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| radiootjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Engels radio, in de betekenis van ‘draadloze omroep’ aangetroffen vanaf 1904
Woordfamilie van radio
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| radio's | meervoud | radio |
| radiootje | verkleinwoord | radio |
| radiootjes | verkleinwoord meervoud | radio |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van radio zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- radio-omroep
- radio-ontvanger
- radio-uitzending
- radioamateur
- radioastronomie
- radiobaken
- radiobesturing
- radiobode
- radiobuis
- radiocommentator
- radiocontact
- radiodistributie
- radiodrama
- radiofrequentie
- radiogids
- radiogolf
- radiolamp
- radiomaker
- radioman
- radionet
- radiopeiler
- radiopresentator
- radioprogramma
- radioshow