televisie
zelfstandig naamwoord, bijwoord ˌteləˈviziBetekenis
- een elektronisch apparaat om bewegende beelden en geluid weer te geven
- het communicatiemedium dat het versturen van beelden en geluiden mogelijk maakt
- televisiekijken: Hij keek graag televisie.
Hoe spreek je televisie uit?
/ˌteləˈvizi/
Televisie bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| e | veel |
| l | land |
| ə | de |
| v | vis |
| i | riet |
| z | zon |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- elektronisch apparaat om bewegende beelden en geluid weer te geven
- communicatiemedium dat het versturen van beelden en geluiden mogelijk maakt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| televisies | meervoud |
| televisietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| televisietjes | verkleinwoord, meervoud |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels television, in de betekenis van ‘overbrenging van beelden’ voor het eerst aangetroffen in 1914
Woordfamilie van televisie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| televisies | meervoud | televisie |
| televisietje | verkleinwoord | televisie |
| televisietjes | verkleinwoord meervoud | televisie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van televisie zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- televisie-uitzending
- televisieantenne
- televisiecamera
- televisiedemocratie
- televisiedominee
- televisiedrama
- televisiegeschiedenis
- televisiegids
- televisiekanaal
- televisiekijken
- televisienetwerk
- televisieomroep
- televisieproducent
- televisieprogramma
- televisiequiz
- televisieregisseur
- televisiescherm
- televisieserie
- televisiestudio
- televisiesysteem
- televisietijdperk
- televisietoespraak
- televisietoestel
- televisiezender