omroepen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- op een luide manier vertellen aan een grote groep
Vervoeging van omroepen
omroepenhele werkwoord — riep omverleden tijd enkelvoud — riepen omverleden tijd meervoud — omgeroepenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | roep om | riep om |
| jij | roept om | riep om |
| hij, zij, het | roept om | riep om |
| wij | roepen om | riepen om |
| jullie | roepen om | riepen om |
| zij | roepen om | riepen om |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben omgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is omgeroepen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omgeroepen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omgeroepen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omgeroepen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omgeroepen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omgeroepen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omgeroepen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omgeroepen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omgeroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omgeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omgeroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omgeroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omgeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omgeroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omgeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgeroepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| om te roepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| om te zullen roepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| om zal roepen | bijzin, toekomende tijd |
| om zou roepen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zouden roepen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zoudt roepen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zullen roepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| om zullen roepen | bijzin, toekomende tijd |
| om zult roepen | bijzin, toekomende tijd |
| omgeroepen | verleden tijd, deelwoord |
| omgeroepen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgeroepen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgeroepen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgeroepen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgeroepen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgeroepen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgeroepen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgeroepen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgeroepen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgeroepen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omriep | bijzin, verleden tijd |
| omriepen | bijzin, verleden tijd |
| omroep | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omroepend | onvoltooid, deelwoord |
| omroept | bijzin, tegenwoordige tijd |
| riep om | verleden tijd |
| roep om | gebiedende wijs |
| te hebben omgeroepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omroepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart omgeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgeroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omgeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgeroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omgeroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omgeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omgeroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden omgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt omgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word omgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden omgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal omgeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omgeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal omgeroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgeroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omroepen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn omgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn omgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn omgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt omgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou omgeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou omgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omroepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) omroepen om zou(dt) roepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omgeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omroepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omgeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omroepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen omgeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgeroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgeroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgeroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omroepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omroepen | bijzin, toekomende tijd |
| zult omgeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord omroep
Herkomst
samenstelling van om bw en roepen ww
Woordfamilie van omroepen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omgeroepen | voltooid deelwoord | omroepen |
| omriep | subordinate-clause, verleden tijd | omroepen |
| omriepen | subordinate-clause, verleden tijd | omroepen |
| omroepe | with-subordinate-clause | omroepen |
| omroepend | onvoltooid deelwoord | omroepen |
| omroepende | woordvorm | omroepen |
| omroept | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omroepen |
| riep om | verleden tijd | omroepen |
| riepen om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omroepen |
| roep om | gebiedende wijs | omroepen |
| roepe om | woordvorm | omroepen |
| roepen om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omroepen |
| roept om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omroepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omroepen zijn vastgelegd.