motor
zelfstandig naamwoord /'mo.tɔr/Betekenis
- krachtbron die met behulp van een energiebron een werktuig, machine of vervoermiddel aandrijft
- een verkorting van 'motorfiets', het gemotoriseerd voertuig op twee of drie wielen
- iemand die wordt beschouwd als de drijvende kracht van een organisatie
- auto
- verkorting van 'motorbike' of 'motorcar'
- gemotoriseerd voertuig op twee of drie wielen
- iemand die de drijvende kracht van een organisatie is
- motor, een aandrijfmachine
Hoe spreek je motor uit?
/ˈmotɔr/
Motor bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| o | boot |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- een verkorting van "motorfiets", het gemotoriseerd voertuig op twee of drie wielen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| motoren | meervoud |
| motors | meervoud |
| motortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| motortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘machine die beweegkracht levert, stuwende kracht’ voor het eerst aangetroffen in 1892
Woordfamilie van motor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| motoren | meervoud | motor |
| motors | meervoud | motor |
| motortje | verkleinwoord | motor |
| motortjes | verkleinwoord meervoud | motor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van motor zijn vastgelegd.