maaien
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈmajə(n)Betekenis
- met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
Hoe spreek je maaien uit?
/ˈmajən/
Maaien bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van maaien
maaienhele werkwoord — maaideverleden tijd enkelvoud — maaidenverleden tijd meervoud — gemaaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maai | maaide |
| jij | maait | maaide |
| hij, zij, het | maait | maaide |
| wij | maaien | maaiden |
| jullie | maaien | maaiden |
| zij | maaien | maaiden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gemaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemaaid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemaaid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemaaid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemaaid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemaaid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemaaid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemaaid | verleden tijd, deelwoord |
| gemaaid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemaaid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| maai | gebiedende wijs |
| maaide | verleden tijd |
| maaie | aanvoegende wijs |
| maaiend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te maaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen maaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal maaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal maaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal maaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou maaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou maaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou maaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden maaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden maaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden maaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt maaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen maaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen maaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen maaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen maaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult maaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord maai
Herkomst
In de betekenis van ‘afsnijden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van maaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemaaid | voltooid deelwoord | maaien |
| gemaaide | woordvorm | maaien |
| maaide | verleden tijd | maaien |
| maaiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | maaien |
| maaie | aanvoegende wijs | maaien |
| maaiend | onvoltooid deelwoord | maaien |
| maaiende | woordvorm | maaien |
| maait | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | maaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van maaien zijn vastgelegd.