laaien
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈlajə(n)Betekenis
- heftig en hoorbaar branden
- van woede heftig tekeergaan
Hoe spreek je laaien uit?
/ˈlajən/
Laaien bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| a | maan |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van laaien
laaienhele werkwoord — laaideverleden tijd enkelvoud — laaidenverleden tijd meervoud — gelaaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | laai | laaide |
| jij | laait | laaide |
| hij, zij, het | laait | laaide |
| wij | laaien | laaiden |
| jullie | laaien | laaiden |
| zij | laaien | laaiden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gelaaid | verleden tijd, deelwoord |
| gelaaid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelaaid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| laai | gebiedende wijs |
| laaide | verleden tijd |
| laaie | aanvoegende wijs |
| laaiend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gelaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te laaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen laaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal laaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal laaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal laaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou laaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou laaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou laaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden laaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden laaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden laaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt laaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen laaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen laaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen laaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen laaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult laaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord laai
- meervoud van het zelfstandig naamwoord laaie
Herkomst
ww: van Middelnederlands laeyen, op te vatten als afgeleid van laai zn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van laaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelaaid | voltooid deelwoord | laaien |
| laaide | verleden tijd | laaien |
| laaiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | laaien |
| laait | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | laaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van laaien zijn vastgelegd.