aaien
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈajə(n)Betekenis
- zachtjes met de hand iets strelen als liefkozing
- zachtjes aanraken
- iemand opzettelijk pijn doen (ironisch)
Hoe spreek je aaien uit?
/ˈajən/
Aaien bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aaien
aaienhele werkwoord — aaideverleden tijd enkelvoud — aaidenverleden tijd meervoud — geaaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | aai | aaide |
| jij | aait | aaide |
| hij, zij, het | aait | aaide |
| wij | aaien | aaiden |
| jullie | aaien | aaiden |
| zij | aaien | aaiden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aai | gebiedende wijs |
| aaide | verleden tijd |
| aaie | aanvoegende wijs |
| aaiend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geaaid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geaaid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geaaid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geaaid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geaaid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geaaid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geaaid | verleden tijd, deelwoord |
| geaaid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaaid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te aaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou aaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord aai
Herkomst
In de betekenis van ‘strelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1717
Woordfamilie van aaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aaide | verleden tijd | aaien |
| aaiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aaien |
| aaie | aanvoegende wijs | aaien |
| aaiend | onvoltooid deelwoord | aaien |
| aaiende | woordvorm | aaien |
| aait | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aaien |
| geaaid | voltooid deelwoord | aaien |
| geaaide | woordvorm | aaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aaien zijn vastgelegd.