knipogen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een teken geven door snel een oog te sluiten en weer te openen
- aan en uit gaan, twinkelen
Vervoeging van knipogen
knipogenhele werkwoord — knipoogdeverleden tijd enkelvoud — knipoogdenverleden tijd meervoud — geknipoogdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | knipoog | knipoogde |
| jij | knipoogt | knipoogde |
| hij, zij, het | knipoogt | knipoogde |
| wij | knipogen | knipoogden |
| jullie | knipogen | knipoogden |
| zij | knipogen | knipoogden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geknipoogd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geknipoogd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geknipoogd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geknipoogd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geknipoogd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geknipoogd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geknipoogd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geknipoogd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geknipoogd | verleden tijd, deelwoord |
| geknipoogd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geknipoogd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geknipoogd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geknipoogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geknipoogd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geknipoogd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geknipoogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geknipoogd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geknipoogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geknipoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknipoogd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geknipoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknipoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geknipoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geknipoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknipoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknipoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| knipoge | aanvoegende wijs |
| knipogend | onvoltooid, deelwoord |
| knipoog | gebiedende wijs |
| knipoogde | verleden tijd |
| te hebben geknipoogd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te knipogen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen knipogen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geknipoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geknipoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geknipoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal knipogen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal knipogen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal knipogen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geknipoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geknipoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geknipoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou knipogen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou knipogen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou knipogen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geknipoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geknipoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geknipoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden knipogen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden knipogen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden knipogen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geknipoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt knipogen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geknipoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geknipoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geknipoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen knipogen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen knipogen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen knipogen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen knipogen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geknipoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult knipogen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord knipoog
Herkomst
In de betekenis van ‘een ooglid snel sluiten en openen’ voor het eerst aangetroffen in 1710
Woordfamilie van knipogen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geknipoogd | voltooid deelwoord | knipogen |
| knipoge | aanvoegende wijs | knipogen |
| knipogend | onvoltooid deelwoord | knipogen |
| knipogende | woordvorm | knipogen |
| knipoogde | verleden tijd | knipogen |
| knipoogden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | knipogen |
| knipoogt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | knipogen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knipogen zijn vastgelegd.