knipper
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- iemand die knipt
- iets waarmee men kan knippen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| knippers | meervoud |
| knippertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| knippertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knipperen
- gebiedende wijs van knipperen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knipperen
Vervoeging van knipper
knipperhele werkwoord
Herkomst
Naamwoord van handeling van knippen met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van knipper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knippers | meervoud | knipper |
| knippertje | verkleinwoord | knipper |
| knippertjes | verkleinwoord meervoud | knipper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knipper zijn vastgelegd.