Naar de inhoud

trimmen

trainen om fit te blijven

trimmen

werkwoord ˈtrɪmə(n)

Betekenis

  1. trainen om fit te blijven
  2. het knippen van haren (bij dieren) of het bijknippen van de baard (bij mensen)
  3. het verplaatsen/verdelen van gewicht of veranderen van de stand of positie van zeilen om het schip niet te veel voor- of achterover te laten liggen en zo beter of sneller te laten varen
  4. het regelen van drijfvermogen bij het duiken met behulp van een trimvest, om te zorgen dat het drijfvermogen van een duiker neutraal blijft en blijft zweven onder water. Men laat dan meer of minder lucht in het trimvest lopen om uit te balanceren.

Hoe spreek je trimmen uit?

/ˈtrɪmən/

Trimmen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈtrɪmən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
t tak
r rood
ɪ pit
m maan
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van trimmen

trimmenhele werkwoord — trimdeverleden tijd enkelvoud — trimdenverleden tijd meervoud — getrimdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik trim trimde
jij trimt trimde
hij, zij, het trimt trimde
wij trimmen trimden
jullie trimmen trimden
zij trimmen trimden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is getrimd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was getrimd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd getrimd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt getrimd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal getrimd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal getrimd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou getrimd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou getrimd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
getrimd verleden tijd, deelwoord
getrimd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getrimd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had getrimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had getrimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had getrimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden getrimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden getrimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden getrimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt getrimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb getrimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getrimd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben getrimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getrimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben getrimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt getrimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getrimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getrimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben getrimd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te trimmen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen trimmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
trim gebiedende wijs
trimde verleden tijd
trimme aanvoegende wijs
trimmend onvoltooid, deelwoord
zal getrimd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getrimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal getrimd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal trimmen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal trimmen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal trimmen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou getrimd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getrimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getrimd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou trimmen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou trimmen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou trimmen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getrimd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getrimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getrimd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden trimmen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden trimmen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden trimmen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt getrimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt trimmen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getrimd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getrimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getrimd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen trimmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen trimmen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen trimmen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen trimmen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult getrimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult trimmen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘haar van een dier bijknippen’ voor het eerst aangetroffen in 1940

Woordfamilie van trimmen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
getrimd voltooid deelwoord trimmen
getrimde woordvorm trimmen
trimde verleden tijd trimmen
trimden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon trimmen
trimme aanvoegende wijs trimmen
trimmend onvoltooid deelwoord trimmen
trimmende woordvorm trimmen
trimt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon trimmen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trimmen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over trimmen

Hoe spreek je trimmen uit?
De uitspraak van trimmen is: /ˈtrɪmə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent trimmen?
Trimmen is een werkwoord. Het woord betekent: trainen om fit te blijven. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je trimmen?
Je vervoegt trimmen als volgt: de tegenwoordige tijd is trim, de verleden tijd is trimde en het voltooid deelwoord is getrimd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op trimmen?

In dit woordenboek rijmen 5 woorden op -immen op trimmen, zoals klimmen, dimmen en simmen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op trimmen, uitspraak ˈtrɪmən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
klimmen 2
dimmen 2
simmen 2
immen 2
rimmen 2

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord trimmen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. R 2
  3. I 1
  4. M 3
  5. M 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

trimmen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 100 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. R 2
  3. I 2
  4. M 3
  5. M 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 zonder bonus
  9. 100 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

trimmen telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

trimmen in het kort

trimmen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van trimmen zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort trimmen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

trimmen: trainen om fit te blijven
Deel trimmen — standaardnederlands.nl