trimmen
werkwoord ˈtrɪmə(n)Betekenis
- trainen om fit te blijven
- het knippen van haren (bij dieren) of het bijknippen van de baard (bij mensen)
- het verplaatsen/verdelen van gewicht of veranderen van de stand of positie van zeilen om het schip niet te veel voor- of achterover te laten liggen en zo beter of sneller te laten varen
- het regelen van drijfvermogen bij het duiken met behulp van een trimvest, om te zorgen dat het drijfvermogen van een duiker neutraal blijft en blijft zweven onder water. Men laat dan meer of minder lucht in het trimvest lopen om uit te balanceren.
Hoe spreek je trimmen uit?
/ˈtrɪmən/
Trimmen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van trimmen
trimmenhele werkwoord — trimdeverleden tijd enkelvoud — trimdenverleden tijd meervoud — getrimdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trim | trimde |
| jij | trimt | trimde |
| hij, zij, het | trimt | trimde |
| wij | trimmen | trimden |
| jullie | trimmen | trimden |
| zij | trimmen | trimden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is getrimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getrimd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getrimd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getrimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getrimd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getrimd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getrimd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getrimd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getrimd | verleden tijd, deelwoord |
| getrimd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getrimd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getrimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getrimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getrimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getrimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getrimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getrimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getrimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getrimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getrimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getrimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getrimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getrimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getrimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getrimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getrimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getrimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te trimmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen trimmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trim | gebiedende wijs |
| trimde | verleden tijd |
| trimme | aanvoegende wijs |
| trimmend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getrimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getrimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getrimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal trimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal trimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal trimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getrimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getrimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getrimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou trimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou trimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou trimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getrimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getrimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getrimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden trimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden trimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden trimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getrimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt trimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getrimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getrimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getrimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen trimmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen trimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen trimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen trimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getrimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult trimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘haar van een dier bijknippen’ voor het eerst aangetroffen in 1940
Woordfamilie van trimmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getrimd | voltooid deelwoord | trimmen |
| getrimde | woordvorm | trimmen |
| trimde | verleden tijd | trimmen |
| trimden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | trimmen |
| trimme | aanvoegende wijs | trimmen |
| trimmend | onvoltooid deelwoord | trimmen |
| trimmende | woordvorm | trimmen |
| trimt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | trimmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trimmen zijn vastgelegd.