klem
zelfstandig naamwoord, werkwoord klɛmBetekenis
- een werktuig waarin iets door samendrukken bijeengehouden of vastgezet kan worden
- omarming, omhelzing
Hoe spreek je klem uit?
/klɛm/
Klem bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ɛ | bed |
| m | maan |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klemmen | meervoud |
| klemmetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klemmetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klemmen
- gebiedende wijs van klemmen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klemmen
Vervoeging van klem
klemhele werkwoord
Woordfamilie van klem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klemmetje | verkleinwoord | klem |
| klemmetjes | verkleinwoord meervoud | klem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klem zijn vastgelegd.