klemrijden
werkwoordBetekenis
- een voertuig voor dat van en ander plaatsen zó dat die niet meer zijn weg kan vervolgen
Vervoeging van klemrijden
klemrijdenhele werkwoord — reed klemverleden tijd enkelvoud — reden klemverleden tijd meervoud — klemgeredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rij klem | reed klem |
| jij | rijdt klem | reed klem |
| hij, zij, het | rijdt klem | reed klem |
| wij | rijden klem | reden klem |
| jullie | rijden klem | reden klem |
| zij | rijden klem | reden klem |
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben klemgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent klemgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is klemgereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was klemgereden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd klemgereden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt klemgereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal klemgereden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal klemgereden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou klemgereden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou klemgereden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had klemgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had klemgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had klemgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden klemgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden klemgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden klemgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt klemgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb klemgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben klemgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben klemgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben klemgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben klemgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt klemgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft klemgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft klemgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is klemgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is klemgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klem te rijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klem te zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klem zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
| klem zou rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| klem zouden rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| klem zoudt rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| klem zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klem zullen rijden | bijzin, toekomende tijd |
| klem zult rijden | bijzin, toekomende tijd |
| klemgereden | verleden tijd, deelwoord |
| klemgereden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klemgereden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klemgereden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klemgereden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klemgereden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klemgereden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| klemgereden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| klemgereden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klemgereden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klemgereden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klemreden | bijzin, verleden tijd |
| klemreed | bijzin, verleden tijd |
| klemrij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| klemrijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| klemrijdend | onvoltooid, deelwoord |
| klemrijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| reed klem | verleden tijd |
| rij klem | gebiedende wijs |
| rijd klem | gebiedende wijs |
| te hebben klemgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen klemrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart klemgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren klemgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren klemgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren klemgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was klemgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was klemgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was klemgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd klemgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd klemgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd klemgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden klemgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden klemgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden klemgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt klemgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word klemgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden klemgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden klemgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden klemgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt klemgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt klemgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal klemgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klemgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal klemgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klemgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klemgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal klemgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal klemgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klemrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal klemrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal klemrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal klemrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn klemgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn klemgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn klemgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt klemgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou klemgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klemgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klemgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klemgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klemgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou klemgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klemgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou klemgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou klemgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klemrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou klemrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou klemrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou klemrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) klemrijden klem zou(dt) rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden klemgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden klemgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden klemgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klemgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klemgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klemgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klemgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden klemgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden klemgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klemrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klemrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klemrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden klemrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt klemgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klemgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klemgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klemrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt klemrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen klemgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen klemgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen klemgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klemgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klemgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klemgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klemgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen klemgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen klemgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klemrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen klemrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klemrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klemrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van klem en rijden
Woordfamilie van klemrijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klemgereden | voltooid deelwoord | klemrijden |
| klemreden | subordinate-clause, verleden tijd | klemrijden |
| klemreed | subordinate-clause, verleden tijd | klemrijden |
| klemrij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | klemrijden |
| klemrijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | klemrijden |
| klemrijde | with-subordinate-clause | klemrijden |
| klemrijdend | onvoltooid deelwoord | klemrijden |
| klemrijdende | woordvorm | klemrijden |
| klemrijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | klemrijden |
| reden klem | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | klemrijden |
| reed klem | verleden tijd | klemrijden |
| rij klem | gebiedende wijs | klemrijden |
| rijd klem | gebiedende wijs | klemrijden |
| rijde klem | woordvorm | klemrijden |
| rijden klem | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | klemrijden |
| rijdt klem | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | klemrijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klemrijden zijn vastgelegd.