jam
zelfstandig naamwoord, werkwoord ʒɛmBetekenis
- een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
- al, reeds
- klok, horloge
- uur
- tijd
Hoe spreek je jam uit?
/ʒɛm/
Jam bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ʒ | journaal |
| ɛ | bed |
| m | maan |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| jams | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jammen
- gebiedende wijs van jammen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jammen
Vervoeging van jam
jamhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘yam eetbare wortelknol’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1695
Woordfamilie van jam
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jams | meervoud | jam |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jam zijn vastgelegd.