gsm
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ɣeʲɛz'ɛm/Betekenis
- een mobiele telefoon
- een standaard voor digitale mobiele telefonie
Hoe spreek je gsm uit?
/xeɛzˈɛm/
Gsm bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| e | veel |
| ɛ | bed |
| z | zon |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- bepaald systeem voor mobiele telefonie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| GSM |
zelfstandig naamwoord — masculine
- mobiel telefoontoestel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gsm'etje | verkleinwoord |
| gsm'etjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| gsm's | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gsm'en
- gebiedende wijs van gsm'en
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gsm'en
Vervoeging van gsm
gsmhele werkwoord
Herkomst
(initiaalwoord), van Engels GSM: Global System for Mobile communications **m: (metonymisch) gebruik van de naam van het systeem, in de betekenis van ‘mobiele telefoon’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1991
Woordfamilie van gsm
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| GSM | neuter | gsm |
| gsm'etje | verkleinwoord | gsm |
| gsm'etjes | verkleinwoord | gsm |
| gsm's | enkelvoud | gsm |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gsm zijn vastgelegd.