slem
zelfstandig naamwoord, werkwoord slɛmBetekenis
- (telbaar) een bridgecontract voor alle slagen of alle slagen minus een
- (ontelbaar) een koud, dun mengsel van zand, bitumenemulsie en eventueel kleurstoffen dat als een laag bovenop asfalt wordt aangebracht, ter herstel en om het waterdicht te maken
Hoe spreek je slem uit?
/slɛm/
Slem bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| ɛ | bed |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord
- een bridgecontract voor alle slagen of alle slagen minus een
- een koud, dun mengsel van zand, bitumenemulsie en eventueel kleurstoffen dat als een laag bovenop asfalt wordt aangebracht, ter herstel en om het waterdicht te maken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| slemmen | meervoud |
| slemmetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| slemmetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slemmen
- gebiedende wijs van slemmen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slemmen
Vervoeging van slem
slemhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘al de slagen (bij kaartspel)’ voor het eerst aangetroffen in 1832
Woordfamilie van slem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| slemmetje | verkleinwoord | slem |
| slemmetjes | verkleinwoord meervoud | slem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slem zijn vastgelegd.