keg
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een blok met één schuine kant, waarmee men iets kan vastklemmen of het wegrollen van bijv. een wiel kan verhinderen. (De doorsnede van een keg is een rechthoekige driehoek, van een wig is dat een gelijkbenige driehoek.
- een wigvormige demper van rubber die wordt gebruikt bij het stemmen van piano of klavecimbel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| keggen | meervoud |
| keggetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| keggetjes | verkleinwoord, meervoud |
| kegje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kegjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van keggen
- gebiedende wijs van keggen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van keggen
Vervoeging van keg
keghele werkwoord
Woordfamilie van keg
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| keggetje | verkleinwoord | keg |
| keggetjes | verkleinwoord meervoud | keg |
| kegje | verkleinwoord | keg |
| kegjes | verkleinwoord meervoud | keg |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van keg zijn vastgelegd.