graaf
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣrafBetekenis
- persoon met een voorname bestuurlijke functie of titel
- (vroege middeleeuwen) door de vorst aangewezen ambtenaar die het hoogste toezicht op de rechtspraak of een ander belangrijke activiteit uitoefent
- erfelijk bestuurder van een graafschap; oorspronkelijk leenman van een vorst, één rang lager dan markies, naderhand steeds meer zelfstandig heerser
- niet meer verbonden aan een bestuurlijke functie
- uitgegraven waterloop, gracht, greppel
- spade
- beschrijving van gegevens in de vorm van een verzameling punten, knopen genoemd, waarvan sommige verbonden zijn door lijnen, de zijden, kanten of takken
- graven
Hoe spreek je graaf uit?
/xraf/
Graaf bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| a | maan |
| f | fiets |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| graafje | verkleinwoord, enkelvoud |
| graafjes | verkleinwoord, meervoud |
| graven | meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| graven | meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| graafje | verkleinwoord, enkelvoud |
| graafjes | verkleinwoord, meervoud |
| grafen | meervoud |
Vervoeging van graaf
graafhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘adellijke titel’ voor het eerst aangetroffen in 1201
Woordfamilie van graaf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| graafje | verkleinwoord | graaf |
| graafjes | verkleinwoord meervoud | graaf |
| grafen | meervoud | graaf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van graaf zijn vastgelegd.