graven
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɣravə(n)Betekenis
- een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
- gesneden
- begraven
Hoe spreek je graven uit?
/ˈxravən/
Graven bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| a | maan |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- onderzoeken
Vervoeging van graven
gravenhele werkwoord — groefverleden tijd enkelvoud — groevenverleden tijd meervoud — gegravenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | graaf | groef |
| jij | graaft | groef |
| hij, zij, het | graaft | groef |
| wij | graven | groeven |
| jullie | graven | groeven |
| zij | graven | groeven |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gegraven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegraven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegraven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegraven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegraven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegraven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegraven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegraven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegraven | verleden tijd, deelwoord |
| gegraven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegraven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegraven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegraven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegraven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegraven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegraven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegraven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegraven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegraven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| graaf | gebiedende wijs |
| grave | aanvoegende wijs |
| gravend | onvoltooid, deelwoord |
| groef | verleden tijd |
| had gegraven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegraven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegraven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te graven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegraven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen graven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gegraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gegraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gegraven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gegraven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gegraven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal graven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal graven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal graven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou graven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou graven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou graven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden graven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden graven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden graven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt graven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegraven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen graven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen graven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen graven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen graven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult graven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord graf
- meervoud van het zelfstandig naamwoord graaf
Herkomst
In de betekenis van ‘in de grond spitten’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van graven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegraven | voltooid deelwoord | graven |
| graaft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | graven |
| gravend | onvoltooid deelwoord | graven |
| gravende | woordvorm | graven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van graven zijn vastgelegd.