architraaf
zelfstandig naamwoord ɑrxi'trafBetekenis
- in de bouwkunst uit het Midden-Oosten, de Griekse en de Romeinse architectuur de onderste dragende balk in het hoofdgestel (kroonwerk) van een gebouw
- onderste vlakke gedeelte aan een kroonlijst, de gevellijst
- (houten) lijst als sierafwerking rondom een kozijn
Hoe spreek je architraaf uit?
/ɑrxiˈtraf/
Architraaf bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| r | rood |
| x | acht |
| i | riet |
| t | tak |
| a | maan |
| f | fiets |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- lijst als sierafwerking rondom een kozijn
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| architraafje | verkleinwoord, enkelvoud |
| architraafjes | verkleinwoord, meervoud |
| architraven | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘hoofdbalk’ voor het eerst aangetroffen in 1553
Woordfamilie van architraaf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| architraafje | verkleinwoord | architraaf |
| architraafjes | verkleinwoord meervoud | architraaf |
| architraven | meervoud | architraaf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van architraaf zijn vastgelegd.