gezindte
zelfstandig naamwoordBetekenis
- kerkgenootschap, geloofsgemeenschap
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gezindten | meervoud |
| gezindtes | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘gemeenschap van gelovigen’ voor het eerst aangetroffen in 1676
Woordfamilie van gezindte
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezindten | meervoud | gezindte |
| gezindtes | meervoud | gezindte |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gezindte zijn vastgelegd.