verflensen
werkwoordBetekenis
- het slap worden en wegteren, meestal van afgesneden plantenmateriaal door uitdroging
Vervoeging van verflensen
verflensenhele werkwoord — verflensteverleden tijd enkelvoud — verflenstenverleden tijd meervoud — verflenstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verflens | verflenste |
| jij | verflenst | verflenste |
| hij, zij, het | verflenst | verflenste |
| wij | verflensen | verflensten |
| jullie | verflensen | verflensten |
| zij | verflensen | verflensten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verflenst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verflenst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verflenst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verflenst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verflenst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verflenst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verflenst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verflenst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verflenst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verflenst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verflenst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verflenst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verflenst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verflenst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verflenst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verflenst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verflensen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verflensen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verflens | gebiedende wijs |
| verflense | aanvoegende wijs |
| verflensend | onvoltooid, deelwoord |
| verflenst | verleden tijd, deelwoord |
| verflenst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verflenst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verflenste | verleden tijd |
| zal verflensen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verflensen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verflensen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verflenst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verflenst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verflenst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou verflensen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verflensen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verflensen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verflenst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verflenst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verflenst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verflensen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verflensen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verflensen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verflenst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verflenst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verflenst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verflensen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verflenst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verflensen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verflensen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verflensen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verflensen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verflenst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verflenst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verflenst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verflensen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verflenst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘slap worden’ voor het eerst aangetroffen in 1615
Woordfamilie van verflensen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verflens | gebiedende wijs | verflensen |
| verflense | aanvoegende wijs | verflensen |
| verflensend | onvoltooid deelwoord | verflensen |
| verflensende | woordvorm | verflensen |
| verflenst | voltooid deelwoord | verflensen |
| verflenste | verleden tijd | verflensen |
| verflensten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verflensen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verflensen zijn vastgelegd.