examen
zelfstandig naamwoord ɛkˈsamə(n)Betekenis
- onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
- examen, toets, tentamen
- onderzoek
- verhoor, ondervraging
Hoe spreek je examen uit?
/ɛkˈsamən/
Examen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| k | kat |
| s | sok |
| a | maan |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| examens, examina | meervoud |
| examentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| examentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘onderzoek naar iemands kennis’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van examen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| examens | meervoud | examen |
| examentje | verkleinwoord | examen |
| examentjes | verkleinwoord meervoud | examen |
| examina | meervoud | examen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van examen zijn vastgelegd.