toets
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een knop op zekere muziekinstrumenten die een mechaniek in werking stelt om een bepaalde toon voort te brengen
- deel van de hals van zekere snareninstrumenten waartegen een snaar afgeklemd wordt om de toonhoogte van de snaar te veranderen
- een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
- een al of niet gestandaardiseerde controle om te bewijzen dat een lerende heeft voldaan aan de gestelde leerdoelen
- een test of onderzoek
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| toetsen | meervoud |
| toetsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| toetsjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toetsen
- gebiedende wijs van toetsen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toetsen
Vervoeging van toets
toetshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘proef’ voor het eerst aangetroffen in 1338
Woordfamilie van toets
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| toetsje | verkleinwoord | toets |
| toetsjes | verkleinwoord meervoud | toets |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toets zijn vastgelegd.