pramen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈpramə(n)Betekenis
- heftige druk uitoefenen op (zowel letterlijk als figuurlijk opgevat)
- bron, spreng; een plaats waar water uit de grond komt
- streng, haarstreng; bundel haren
- bron, informatiebron; daar waar men informatie vandaan haalt
- bron, oorsprong; een object waarvan iets uitgaat
- vlot, houtvlot; aan elkaar verbonden boomstammen
- zřídlo
- svazek
- zdroj
- původ
Hoe spreek je pramen uit?
/ˈpramən/
Pramen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| a | maan |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van pramen
pramenhele werkwoord — praamdeverleden tijd enkelvoud — praamdenverleden tijd meervoud — gepraamdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | praam | praamde |
| jij | praamt | praamde |
| hij, zij, het | praamt | praamde |
| wij | pramen | praamden |
| jullie | pramen | praamden |
| zij | pramen | praamden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gepraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gepraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gepraamd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepraamd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepraamd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepraamd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepraamd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepraamd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepraamd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepraamd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepraamd | verleden tijd, deelwoord |
| gepraamd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepraamd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepraamd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepraamd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepraamd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepraamd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepraamd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepraamd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepraamd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepraamd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepraamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepraamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepraamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepraamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepraamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepraamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepraamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepraamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gepraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gepraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| praam | gebiedende wijs |
| praamde | verleden tijd |
| prame | aanvoegende wijs |
| pramend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepraamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te pramen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen pramen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gepraamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepraamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gepraamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepraamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gepraamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gepraamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gepraamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gepraamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gepraamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gepraamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gepraamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gepraamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gepraamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gepraamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gepraamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gepraamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gepraamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gepraamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gepraamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gepraamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gepraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gepraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gepraamd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepraamd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal pramen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal pramen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal pramen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gepraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gepraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gepraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gepraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gepraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gepraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gepraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepraamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepraamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepraamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou pramen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou pramen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou pramen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gepraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gepraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepraamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepraamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepraamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden pramen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden pramen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden pramen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepraamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt pramen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gepraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gepraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepraamd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepraamd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepraamd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen pramen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen pramen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen pramen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen pramen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepraamd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult pramen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord praam
Herkomst
ww: van Middelnederlands pramen
Woordfamilie van pramen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepraamd | voltooid deelwoord | pramen |
| gepraamde | woordvorm | pramen |
| praamde | verleden tijd | pramen |
| praamden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | pramen |
| praamt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | pramen |
| prame | aanvoegende wijs | pramen |
| pramend | onvoltooid deelwoord | pramen |
| pramende | woordvorm | pramen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pramen zijn vastgelegd.