Naar de inhoud

pramen

heftige druk uitoefenen op (zowel letterlijk als figuurlijk opgevat)

pramen is meer dan één woord

pramen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈpramə(n)

Betekenis

  1. heftige druk uitoefenen op (zowel letterlijk als figuurlijk opgevat)
  2. bron, spreng; een plaats waar water uit de grond komt
  3. streng, haarstreng; bundel haren
  4. bron, informatiebron; daar waar men informatie vandaan haalt
  5. bron, oorsprong; een object waarvan iets uitgaat
  6. vlot, houtvlot; aan elkaar verbonden boomstammen
  7. zřídlo
  8. svazek
  9. zdroj
  10. původ

Hoe spreek je pramen uit?

/ˈpramən/

Pramen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈpramən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
p pak
r rood
a maan
m maan
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van pramen

pramenhele werkwoord — praamdeverleden tijd enkelvoud — praamdenverleden tijd meervoud — gepraamdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik praam praamde
jij praamt praamde
hij, zij, het praamt praamde
wij pramen praamden
jullie pramen praamden
zij pramen praamden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gepraamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gepraamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gepraamd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gepraamd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gepraamd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gepraamd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gepraamd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gepraamd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gepraamd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gepraamd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gepraamd verleden tijd, deelwoord
gepraamd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gepraamd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gepraamd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepraamd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepraamd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepraamd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gepraamd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gepraamd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gepraamd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gepraamd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gepraamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gepraamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gepraamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gepraamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gepraamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gepraamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gepraamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gepraamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepraamd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gepraamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepraamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gepraamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gepraamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepraamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepraamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gepraamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gepraamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
praam gebiedende wijs
praamde verleden tijd
prame aanvoegende wijs
pramend onvoltooid, deelwoord
te hebben gepraamd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te pramen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen pramen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gepraamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gepraamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gepraamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gepraamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gepraamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gepraamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gepraamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gepraamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gepraamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gepraamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gepraamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gepraamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gepraamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gepraamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gepraamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gepraamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gepraamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gepraamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gepraamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gepraamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gepraamd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepraamd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gepraamd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gepraamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepraamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gepraamd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepraamd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal pramen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal pramen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal pramen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gepraamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gepraamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gepraamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gepraamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gepraamd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepraamd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepraamd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gepraamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepraamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gepraamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepraamd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepraamd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepraamd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou pramen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou pramen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou pramen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gepraamd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepraamd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepraamd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gepraamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gepraamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gepraamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gepraamd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepraamd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepraamd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden pramen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden pramen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden pramen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gepraamd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gepraamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gepraamd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt pramen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gepraamd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepraamd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepraamd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gepraamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gepraamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gepraamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gepraamd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepraamd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepraamd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen pramen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen pramen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen pramen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen pramen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gepraamd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gepraamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gepraamd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult pramen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord praam

Herkomst

ww: van Middelnederlands pramen

Woordfamilie van pramen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gepraamd voltooid deelwoord pramen
gepraamde woordvorm pramen
praamde verleden tijd pramen
praamden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon pramen
praamt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon pramen
prame aanvoegende wijs pramen
pramend onvoltooid deelwoord pramen
pramende woordvorm pramen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pramen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over pramen

Hoe spreek ik pramen uit?
Zo spreek je pramen uit: /ˈpramə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van pramen?
Pramen is een werkwoord. De betekenis is: heftige druk uitoefenen op (zowel letterlijk als figuurlijk opgevat). In totaal staan er 10 betekenissen.
Hoe vervoeg ik pramen?
Zo vervoeg je pramen zo: de tegenwoordige tijd is praam, de verleden tijd is praamde en het voltooid deelwoord is gepraamd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op pramen?

Op pramen rijmen 19 woorden, onder andere ramen, examen en amen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op pramen, uitspraak ˈpramən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
ramen 2
examen 3
amen 2
beramen 3
schamen 2
aanvullingsexamen 6
tentamen 3
betamen 3
namen 2
alamen 3
boekenkramen 4
broederkramen 4
deeleindexamen 5
foramen 3
hotdogkramen 4
schrijversnamen 4
totemnamen 4
valutanamen 5
vrouwennamen 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord pramen is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. R 2
  3. A 1
  4. M 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

pramen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. R 2
  3. A 1
  4. M 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 zonder bonus
  8. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

pramen telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

pramen in het kort

pramen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 10 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van pramen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort pramen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

pramen: heftige druk uitoefenen op (zowel letterlijk als figuurlijk opgevat)
Deel pramen — standaardnederlands.nl