amen
tussenwerpsel, zelfstandig naamwoord ˈamə(n)Betekenis
- dat zij zo, een slotwoord van gebeden en preken
- term waarmee de geldigheid wordt bevestigd van iets dat gezegd is: het zij zo, het is zo (30×: Num. 5:22, Deut. 27:15 +, 1 Kon. 1:36, Jes. 65:16 met tekstkritiek, Jer. 11:5 +, Ps. 41:14, Neh. 5:13 +, 1 Kron. 16:36; ook 129× in NT)
Hoe spreek je amen uit?
/ˈamən/
Amen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord aam
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘slotwoord van gebeden, tussenwerpsel’ voor het eerst aangetroffen in 1001
Woordfamilie van amen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| amens | meervoud | amen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van amen zijn vastgelegd.