schamen
werkwoord ˈsxamə(n)Betekenis
- schaamte voelen, iets van jezelf niet goed vinden zodat je het niet aan anderen wilt tonen
Hoe spreek je schamen uit?
/ˈsxamən/
Schamen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| a | maan |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van schamen
schamenhele werkwoord — geschaamdvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geschaamd | verleden tijd, deelwoord |
| schaam me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| schaam u/je , schaamt je | gebiedende wijs |
| schaamde | verleden tijd |
| schaamde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schaamde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schaamde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| schaamde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| schaamde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schaamde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| schaamde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| schaamden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| schaamden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| schaamden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| schaamt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| schaamt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schaamt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schaamt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| schaamt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schaamt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schame zich | aanvoegende wijs |
| schamen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schamen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schamen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me schamen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich schamen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je schamen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich geschaamd hebben | verleden tijd |
| zich schamend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je schamen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons schamen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich schamen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u schamen | tweede persoon |
| zult u schamen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u schamen | tweede persoon |
| zult zich/u schamen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘generen’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van schamen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschaamd | voltooid deelwoord | schamen |
| schaam | woordvorm | schamen |
| schaamde | verleden tijd | schamen |
| schaamden | woordvorm | schamen |
| schaamt | woordvorm | schamen |
| schame | woordvorm | schamen |
| schamend | woordvorm | schamen |
| schamende | woordvorm | schamen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schamen zijn vastgelegd.