examendatum
zelfstandig naamwoord ɛkˈsamə(n)ˌdatʏmBetekenis
- vastgestelde dag waarop je kan laten zien dat je over bepaalde kennis of vaardigheden beschikt, meestal aan het eind van een opleiding of als onderdeel van een toelatingsprocedure
Hoe spreek je examendatum uit?
/ɛkˈsamənˌdatʏm/
Examendatum bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| k | kat |
| s | sok |
| a | maan |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| d | dak |
| t | tak |
| ʏ | put |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| examendata | meervoud |
| examendatums | meervoud |
Herkomst
samenstelling van examen zn en datum zn
Woordfamilie van examendatum
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| examendata | meervoud | examendatum |
| examendatums | meervoud | examendatum |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van examendatum zijn vastgelegd.