ramen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈramə(n)Betekenis
- inschatten, vaak middels berekening
Hoe spreek je ramen uit?
/ˈramən/
Ramen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| a | maan |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ramen
ramenhele werkwoord — raamdeverleden tijd enkelvoud — raamdenverleden tijd meervoud — geraamdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | raam | raamde |
| jij | raamt | raamde |
| hij, zij, het | raamt | raamde |
| wij | ramen | raamden |
| jullie | ramen | raamden |
| zij | ramen | raamden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geraamd | verleden tijd, deelwoord |
| geraamd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geraamd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geraamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geraamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geraamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geraamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geraamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geraamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geraamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geraamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| raam | gebiedende wijs |
| raamde | verleden tijd |
| rame | aanvoegende wijs |
| ramend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geraamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ramen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ramen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ramen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ramen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ramen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ramen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ramen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ramen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ramen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ramen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ramen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ramen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ramen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ramen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ramen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ramen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ramen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord raam
Herkomst
In de betekenis van ‘schatten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1384
Woordfamilie van ramen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geraamd | voltooid deelwoord | ramen |
| geraamde | woordvorm | ramen |
| raamde | verleden tijd | ramen |
| raamden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ramen |
| raamt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ramen |
| rame | aanvoegende wijs | ramen |
| ramend | onvoltooid deelwoord | ramen |
| ramende | woordvorm | ramen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ramen zijn vastgelegd.